Het monster aan de overkant

Het monster staat aan de overkant van het ravijn. Hij gooit elke keer een touw, elke keer moet ik het touw vasthouden. Ik heb mijn handen vol. Zodra hij dat ziet trekt hij aan de touwen. Hij wil mij het ravijn in hebben en ik weet niet of ik hem kan vertrouwen. Ik wil hem niet vertrouwen, dus ik vecht terug. Alleen ik ben zo moe. Zo moe van het vechten tegen het monster in mijn hoofd.

Hij zit in mijn hoofd. Het monster aan de overkant van het ravijn staat voor alle negatieve stemmen die ik heb. Hij is een tijd afwezig geweest, maar ik hoor hem weer. Ik hoor hem zeggen wat hij van mij vindt, maar dat is niet wat hij echt zegt.

Ken je dat? Dat je denkt te horen wat iemand zegt, maar hij of zij bedoelt dat helemaal niet zo. En dat weet je dus dat wil je loslaten, maar het monster in je hoofd gaat er mee spelen. Je wilt dit niet dus je vecht er tegen. Het monster heeft al gewonnen. Hij krijgt immers de aandacht die hij wil.

Ik zie mezelf staan, mijn handen vol met touwen. Verdrietig, boos, teleurgesteld. Ik weet dat ik niet ben wat hij zegt en toch voel ik het. En ik wil er tegen vechten. Ik wil er tegen vechten, want wat gebeurt er als ik dat niet doe?

Ik merk hoe moegestreden ik ben. Ik wil het monster de aandacht niet geven. Als ik het laat zijn gaat het vanzelf weg. En ik moet op mezelf vertrouwen. Vertrouw dat als ik mijn monster accepteer niet het ravijn ingetrokken wordt. Dat als ik op mezelf vertrouw juist laat zien dat ik sterker ben, sterker dan dat monster. Ik haal diep adem en kijk hoe mijn handen open gaan. Alle touwen vallen op de grond. Ik kijk naar het monster. Het monster kijkt terug. Hij lijkt niet eens teleurgesteld. In zijn ogen zie ik hoe dapper hij het vindt. Ik zwaai en draai me om. Met een lach loop ik bij het monster weg.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *